• Kaart
  • Beschrijving
Uit: Het Koningrijk der Nederlanden, voorgesteld in eene reeks beschrijvingen  door J. L. Terwen, 1858 pagina 722
De tegenwoordige provincie Friesland grenst ten N. aan de Noordzee, ten W. en Z. aan de Zuiderzee, ten Z. O. aan Overijssel en ten O. aan Drenthe, Groningen en de Lauwerzee. Vóór en tijdens het bestaan der republiek was zij verdeeld in 3 kwartieren,als: Oostergoo, Westergoo en Zevenwouden, die te zamen ii steden en 30 grietenijen bevatten, over welke laatsten een regter of grietman aangesteld was, om het regt naar de wetten uit te oefenen; hij was echter blootelijk regter, zonder leenheer te zijn, want het leenstelsel heeft in Friesland nooit wortel geschoten. De oppervlakte bedraagt ruim 59^ vierk. mijl of 326.900 bunders, waaronder tevens de beide eilanden Ameland en Schiermonnikoog, die er toe behooren, gerekend zijn, en de bevolking was op den 31 dec. 1859 273.206 inw. — De grond der provincie is over het geheel laag en vlak, ofschoon men in het zuidelijke en Z. oostelijke gedeelte eenen zandigen grond met veel boschgewas en heideland aantreft; daar vindt men ook de meeste hooge veenen, die echter door afgraving zeer verminderd zijn. Juist deze groote laagte van den grond is de oorzaak, dat in dit gewest zulk een groot aantal meeren gevonden wordt. In de oudste tijden, toen nog geene voldoende dijken het land omringden, was het bij eenen eenigzins hoogen vloed aan de vreeselijkste overstroomingen blootgesteld, en vormde eene golf van de Noordzee, de Middelzee genaamd, eenen diepen inham, die het tegenwoordige Friesland in een noordelijk en zuidelijk deel scheidde, en door vele vaarten met de binnenwaarts gelegen plassen gemeenschap had. In latere tijden is deze Middelzee door verslibbing en indijkingen in goed land veranderd; maar toch bleven er in Friesland aanzienlijke plassen overig, die men tot heden niet van het water heeft ontlast. Geene provincie in ons vaderland bezit dan ook zoo vele binnenwateren en vaarten dan Friesland, zoo dat men hier maar weinige plaatsen zou kunnen noemen, waar men met grootere of kleinere schepen niet aan of af kan varen. De voornaamste meeren zijn: het Slootermeer, het Sneekermeer, het Bergumermeer, het Tjenkemeer, het Heegermeer en het Fljeussenmeer, terwijl onder de voornaamste vaarten kunnen geteld worden: die van Harlingen over Leeuwarden en Dokkum naar Stroobos aan de groningsche grenzen; die van Dokkum naar de Dokkumer Nieuwe Zijlen; die van Leeuwarden naar de Lemmer, en die van Stroobos naar Stavoren. — Bij het doorbladeren der geschiedenis van Friesland treft ons niets zoo zeer dan de geduchte rampen, die het water in dit gewest heeft veroorzaakt, en die reeds

Provincie Friesland. Gemeente Leeuwarden.

 
wapen van Leeuwarden 1658 Bunders
25500 Inwoners

1866

Bekijk op atlas1868.nl
Bekijk op atlasenkaart.nl
Gemeentegeschiedenis
  • Spoorweg
  • Straat- en Kunstweg
  • Gewone weg
  • Dijk en kade
  • Voetpad
  • Kerk
  • Molen
Vierde uur gaans
0
 
¼
Nederl. Ellen
0
 
500